Hier in het atelier, tussen spindels, wolgaren en vezels –

een Apocalyps vuurrood gehaakt en geknoopt –
lijkt het leven wel zichzelf te zoeken. Genesis in wording
of is het toch de onverzadigbare dood,
zijn gezicht verbeeld in strengen zwart en rood,
die zich transformeert tot koorddanser
en de sprong over maakt, mij veelvuldig
dwingt hem in de ogen te kijken?

Enkel de kunstenaar kent het geheim
van de roerloze dans die ik bespied.
En God, ik besef het niet hoe dit weefsel
van lussen en van ogen mij monddood maakt.
Sleutelwoorden verdwijnen diep in de bast
van mijn brein. Enkel de blik
en de stilte rondom houden stand,
nopen mij naderhand het verhaal af te maken.

Het stoffen labyrint draait en tolt genoegzaam rond
terwijl de kunstenaar cryptisch gedachten ordent:
gestold visioen uit verloren jaren bedisselt
een rendez-vous tussen hart en ziel.
Spelenderwijs mysterie in spinsels verscholen
legt gewicht in de schaal, intiemer dan het intiemste.
Versluieren en blootleggen, een beeld
zegt zoveel meer dan duizend woorden.

Een klaagzang orkestreert mijn talmend kijken,
weifelend als de ongelovige apostel
die tot besef de vinger in de wonde legt.
Onleesbaar zijn de woorden, goedgemutste
krulletjes als engelendons bengelend naar beneden.
Mijn ogen barstend van verbazing, de Hof van Eden
simpel weggegleden. De kunstenaar confronteert
mij met de diepste zin van ons wezen.

Tekst : Freddy Huylenbroeck (mei 2020)